March 20, 2020

Trollen vs. pinguïns

Slechts een woord kan Chiloé, het grootste eiland van Chili, beschrijven. Magisch. Met naast trollen ook bijzondere beestjes zoals pinguïns en boerse zeeleeuwen, patatten, paalwoningen en twee steigers naar nergens, de ene toeristischer dan de andere.

Trollen vs. pinguïns

Trauco. Zo heet de trol van Chiloé. Een lelijk schepsel dat ondanks zijn misvormde bakkes de knapste vrouwen om zijn vinger kan winden. We ontmoeten de Trauco niet op een nachtelijke spooktocht door het bos, zoals de touroperatoren ons gretig aanbieden, maar op het centrale plein van noordelijk stadje Ancud. Daar lezen we dat alle vrouwen die door hem versierd zijn, zweren dat hij het knapste wezen op aarde is.

Er verschuilen zich wel meerdere vreemde wezens op dat plein. Zo heb je de Pincoya, een soort van zeemeermin die halfnaakt (zeg maar driekwartnaakt) staat te paraderen in de oceaan. Als ze je haar achterste toont, breekt een voorspoedige tijd aan. Maar als je ze in de ogen kijkt, zullen de oogsten mislukken. Logisch.

(Prachtige illustraties over Chiloé van Natalia Saldivia)

Magische taferelen zijn onze reisgezellen tijdens een week Chiloé. En patatten, want die hebben ze in overvloed. De meeste aardappelsoorten komen oorspronkelijk van dat ene kleine (nuja, nog altijd relatief grote, maar miniscuul in vergelijking met de totaal lengte van Chili) eiland. Wij proefden en smaakten dat het lekker was, maar een snuifje zout miste.

Met een goedgevulde maag zakten we af naar Puñihuil, een baai vol kleine eilanden met fijne inwoners: de Magallaan- en Humboldtpinguïn. Ieder jaar komen ze naar diezelfde rotsen om hun lief (want pinguïns zijn monogaam) eindelijk terug in de armen te vliegen (want pinguïnkoppeltjes zijn zes maanden per jaar van elkaar gescheiden, on-be-grijpelijk). En daar komen dan kindjes van.

In de goedgevulde toeristenboot zaten we net voor een tienjarig dolenthousiast meisje dat om de haverklap ‘kijk daar, nog een pinguïn!’ schreeuwde. Tot haar gilletjes van geluk een versnelling hoger schakelden. ‘Delfines, delfines!’ Ook dolfijnen zijn fan van deze baai en sprongen, plonsten, tuimelden vlak naast onze boot. Tot groot jolijt van iedereen – en nog het meest van dat meisje. Je zou van minder doodenthousiast worden.

Naast vogels wiens namen ik niet onthouden heb (maar waar Fred wel mooie beelden van gemaakt heeft), zagen we tot slot ook een aantal zeeleeuwen dutten. Die waren minder onder de indruk van ons dan wij van hen. Een ervan draaide zich om en liet een luide boer.

Na twee dagen Ancud lieten we ons fijne hostel 13 Lunas, waar we tijdens onze laatste avond nog een (gedeeltelijk) veggie barbecue gehouden hebben, achter ons. Castro werd onze uitvalsbasis voor de rest van ons verblijf. Dat stadje staat bekend om zijn palafitos, paalwoningen op het water die dienst doen als toeristische activiteit en soms als restaurant of hostel. Onderdak vonden we in een minder fotogeniek huisje, La Minga, maar een pisco sour in zo’n palafito heeft wel gesmaakt.

Wel gezellig en informatief, zo'n minder fotogeniek huisje. De Braziliaanse eigenares van La Minga, Camila, gaf ons zodanig veel tips dat we niet wisten waar eerst te beginnen.

Op aanraden van Camila wilden we naar een volksfeest in het dorpje Llao Llao afzakken, maar al snel bleek dat Google toch niet alwetend is (of toch niet zo alwetend als Camila) en we aan het wandelen waren naar de verkeerde Llao Llao. Met iets te veel zon op onze bol (of pisco sour in ons hoofd) namen we een bus terug, zonder iets van de folklore gezien te hebben – behalve nog meer palafitos onderweg.

Tweede keer, goede keer. Onze volgende uitstap vanuit Chiloé was wel een schot in de roos. We kozen voor het eiland Quinchao, om de oude kerk van Achao te bewonderen, een artisanaal marktje te bezoeken en uiteindelijk toevallig opnieuw dolfijnen te spotten. De enthousiaste gilletjes kwamen deze keer van ons.

Op de terugweg passeerden we het dorpje Dalcahue en konden we nog meer artisanaal moois bewonderen. Uiteindelijk kocht ik een poncho die ook dienst deed als dekentje op bussen en boten. Multifunctioneel en supermooi.

De beste tip van Camila, eentje die we amper (of was het helemaal niet?) in onze reisgidsen terugvonden, was om het Parque Nacional Chiloé links te laten liggen en iets verder langs een stoffige grintweg een betere, fotogeniekere wandeling te maken.

We hadden twee keuzes. Ofwel gingen we naar een plek waar toeristen 40 minuten wandelen om dan twee uur aan te schuiven voor de perfecte van een vergezicht op een pier ('muelle') naar nergens. Ofwel konden we een soortgelijk uitzicht ontdekken op een mooiere, langere wandeling met amper andere toeristen om ons heen.

Wij wisten wat kiezen.

De wandeling naar Muelle Del Tiempo (zie vorige blog voor meer details) was een fijne tocht van zo’n twaalf kilometer (inclusief een omweg langs een wei – opletten voor de stieren! – toen we even de weg kwijt waren). De steiger naar nergens was niet het fotogeniekste deel van onze tocht. De hele kustlijn was zo mooi en sprak zo tot de verbeelding dat een collega bij MO* zei dat je er precies een eiland in de vorm van een bokkepootje kon bewonderen.

(Waarop wij weer honger kregen. En opnieuw patatjes aten. Deze keer in de vorm van iets te slappe frieten in een cafetaria tijdens het lange wachten op onze bus.)

Even terugspoelen, weg van dit (wan)smakelijke tafereel. Tijdens de wandeling heb ik namelijk tranen in mijn ogen gekregen.

Niet omwille van de vermoeidheid – twaalf kilometer stappen lukt nog wel. Niet omwille van de kracht van het water en hoe de golven spectaculair spetsen tegen kliffen – precies Nusa Penida op Indonesië.

Wel omwille van de woorden van de buschauffeur die ons naar het beginpunt gevoerd hadden. Die buschauffeur was helemaal in zijn nopjes toen we bij het afstappen zeiden dat we niet Muelle De Las Almas wilden bezoeken, zoals elke andere toerist, maar Muelle Del Tiempo. ‘Blijf anders even zitten, ik voer jullie wel nog wat dichter’, zei hij zelfs. Waarop hij ons nog geen 50 meter verder dropte. (Niet de reden waarom ik bijna moest wenen.)

Toen we een tweede keer wilden afstappen, sprak hij over ‘ballena’. Wij kenden het woord niet en zochten het aan het begin van de tocht toch even op via de app SpanishDict. Vertaling: walvis. Stel je voor. Wij helemaal in de wolken. We hadden gelezen dat je langs de kustlijn van Chiloé walvissen kon spotten, maar dachten dat dat eerder in het zuiden van het eiland was. Wie weet hebben we geluk?

‘Geluk’ hadden we. Er bleek een walvis aangespoeld om het strand net naast de steiger. Morsdood uiteraard. Triestig, maar toch ergens een beetje mooi. Of toch mooi genoeg dat Fred er een aantal beelden van gemaakt heeft.

(Die foto’s zijn enkel op aanvraag te bekijken, want een dode walvis op onze blog om opnieuw triest van te worden, terwijl Chiloé net een van onze favoriete plekken van Chili is? VETO!)

De beste manier om geen dode walvissen te spotten: een dutje doen in de zon!