November 4, 2020

Willen maar niet kunnen

Onze pogingen om naar huis te keren. Jawel, pogingen.

Willen maar niet kunnen

In de supermarkt kiezen we voor een klein pakje koffie. Voor ons een halve kilo veggiegehakt in plaats van een hele kilo. Kruiden? Daar komen we wel nog mee toe. Een pak mayonaise hebben we niet meer ingeslagen, in de plaats gebruiken we de (milieu-onterende, we weten het) miniverpakkingen die we bij elke veggieburger aan huis krijgen. (Zoveel veggieburgers waren dat nochtans niet.)

Het is zover. Het lijkt bijna tijd om naar huis te gaan. Tenminste, dat hopen we.

Hoopten we.

Deze grafiek, mooi vormgegeven door de Argentijnse krant La Nación, drukte onze hoop de dieperik in. De langverwachte terugkeer van binnenlandse vluchten, een gebeurtenis die er volgens alle informatie die we de laatste weken geraadpleegd hebben in de sterren geschreven stond, zou aan onze provincie voorbijgaan. Elke provincie zal overwegen om opnieuw binnenlands vliegverkeer toe te laten. Elke, behalve de onze. En wij, wij waren terug bij af.

Sinds augustus lopen de coronagevallen in onze provincie Santa Cruz steeds meer op. Tegelijkertijd is het gezondheidssysteem verre van optimaal, gezien deze provincie zo ver van alles licht, dichtbevolkt is en amper grote steden kent. Dat volgens dorpsbewoners de reden waarom er hier weinig perspectief is op terugkerend vluchtverkeer: mochten er extra virussen meevliegen, zou het gezondheidsstelsel het hier gewoon begeven. Klinkt allicht bekend in de oren.

Sinds augustus kijken wij om naar huis te gaan. Wist je vast niet, denk ik? We hangen het ook niet aan de grote klok, omwille van het simpele feit dat het toch niet zo simpel is. We achtten/achten de kans namelijk klein dat het gemakkelijk zou gaan. En elke dag diezelfde vraag – wanneer kom je nu naar huis? – beantwoorden, zagen we niet echt zitten.

Het moet eind augustus geweest zijn als we voor de zoveelste dag op rij het aantal coronagevallen in Argentinië vol afgrijzen voorlazen. 7000. 8000. 9000. 10.000. Cijfers om van te duizelen.

Tot voor kort was onze provincie, met uitzondering van een aantal brandhaardjes in het voorjaar, coronavrij verklaard. Maar ook hier liepen de gevallen weer op. De schuldigen bleken een kwartet onvoorzichtige werkmannen die van Buenos Aires afgevaardigd waren om een mast te herstellen in havenstad Rio Gallegos. Laat het duidelijk zijn: als je je niet aan de quarantaineregels houdt, dan riskeer je een hele haven te besmetten.

‘Argentijnen hebben die discipline niet’, horen we her en der in ons dorp, waar niemand zich aan de regels houdt – El Chaltén is vooralsnog coronavrij, waardoor voorzichtigheid amper geboden is, zo lijkt het wel. Lees ook als: als ook hier het virus aan de grond komt, hebben we een serieus probleem.

Hier wordt ter begroeting naar hartenlust geknuffeld en gekust, zonder dat daar boetes op staan. Handen wassen? Mondmaskers? Alcoholgel? Enkel nodig als we er zin in hebben. Gemoedelijk, dat wel. Maar buiten het feit dat het “nu nog niet gebeurd is”, helpt deze redenering niet te rationaliseren dat het “wel eens kan gebeuren natuurlijk”.

Maar dat terzijde. Waar was ik gebleven?

Eind augustus, daar zaten we.

Fred en ik wandelden in het dorp, dezelfde wandeling die we inmiddels al drie miljoen keer gemaakt hebben, langs de hoofdstraat naar de supermarkt. ‘Het wordt er niet beter op.’ Dat beseften we toen, ongeveer ter hoogte van onze vroegere woonst – je kent ‘m nog, van de huisbaas die ons pizza bracht.

En dus beslisten we … nuja, we beslisten niks. We beslisten om na te denken. Om alles te laten bezinken, zoals we deze hele crisissituatie al maandenlang – toeval trouwens: ik mistypte mij, ik had eerst jarenlang geschreven; zo voelt het naderhand – ons hele bestaan, hier en in de wereld, laten bezinken.

We gaven het enkele weken. We wilden niet met onze ouders bellen, zonder dat we zeker waren dat we naar huis wilden. We wilden eigenlijk nog niet naar huis: we wilden wachten tot de lente, de grote wandelingen in de omgeving nog doen. Maar we wisten wel, eindelijk, donders goed dat verder reizen door Argentinië – over Colombia werd niet meer gesproken – in dit klimaat, met zoveel besmettingen overal, compleet onverantwoord toeristische grootheidswaanzin zou betekenen. En als er een iets is dat we wilden deze crisis, is het geen extra druk op het gezondheidsstelsel zetten – niet in België door snel-snel in maart terug te keren, maar ook niet in Argentinië. Het was beslist. Verder reizen gingen we niet meer doen. Maar wil dat dan ook zeggen dat we terug zouden gaan? Terug wilden gaan?

Het is fijn om een idee, een al dan niet lumineus plan even te laten bezinken. Pas dan weet je of je iets echt wil. En dus geraakten we gewend aan het idee dat we op een bepaald moment, in de nabije toekomst, zouden landen in België. Letterlijk en figuurlijk. Ons vliegtuig ging toekomen, we gingen in quarantaine (waar wisten we langs geen kanten) en dan zouden we “verdergaan met ons leven”, wat dat ook wil zeggen.

Voor mij zou dat willen zeggen dat ik weer normale werkdagen zou hebben. Ik zou niet meer moeten uitleggen aan interviewees dat ik pas vanaf 15 uur hen kon opbellen, en dat dat opbellen idealiter via apps als Skype, whatsapp of wat zij verkozen zouden gaan. Ik zou die ideale smalltalk missen – elk interview starten met een rondje ‘je belt met Argentinië’ – maar al snel nieuwe gespreksonderwerpen vinden om serieuze interviews op te leuken. Ik zou mijn boekenkast weer ter beschikking hebben, en mijn kleerkast, voor mocht ik nog meer onderzoek willen doen naar mijn favoriete onderwerp.

Voor Frederik zou het betekenen dat hij weer in vaste dienst zou gaan. Geen btw meer om bij te betalen of af te trekken, geen uren optellen, maar terug naar zijn vertrouwde werkplek – al dan niet letterlijk, want thuiswerk wordt gelukkig aangemoedigd. Pas in de laatste maanden van onze reis maakten we, samen dan nog wel, een LinkedInprofiel aan voor Fred. Laat ons zeggen dat er niet meer dan dat van gekomen is.

We zagen ons gemakkelijk weer gedijen in de normaliteit, niet omwille van het werk, maar omwille van onze vrienden en familie. En ja, we weten dat we jullie nog zouden missen zonder jullie te missen-missen. Maar dat is het minste. We weten tenminste dat afstand bewaren ook een kans is om elkaar op zijn minst nog te gadeslaan. We zouden jullie tenminste kunnen zien, althans op meer dan anderhalve meter afstand en met een lapje voor onze neus en mond – ook dat is een heikel punt aan lockdown in El Chaltén, trouwens, geen mens hier die doorheeft dat een mondmasker ook je neus moet bedekken.

We zouden al die kleine broebeltjes die onze vriendenkring/deze wereld rijker is geworden dit jaar – liefste Rein, Aurora en Otis – ein-de-lijk van zo goed als dichtbij kunnen ontmoeten.

De beslissing was gemaakt. Begin september lichtten we onze ouders in – ‘we hadden dat wel al gedacht, het heeft nog lang geduurd’ – net als de ambassade. En we wachten. En we wachten.

Tussen dat engelengeduld door gebeurde er iets wat we niet voor mogelijk hielden. Een familielid werd ziek. Moest geopereerd worden. Moet nu bestraald worden. Niks coronagerelateerd, nee, gewoon het foute lotje in de kankerloterij. We hebben er goede hoop in dat alles goed komt, tenminste, dat geloven we met heel ons hart. Maar hier is niet de beste plek om te zijn nu. Dus schakelden we een versnelling hoger. We contacteerden de ambassade opnieuw – met succes deze keer – en van de reisverzekering kregen we het verlossende nieuws dat zij wilden helpen om ons hier weg te halen. Met het vliegtuig weliswaar. In een land dat sinds pakweg mei zijn binnenlands vluchtverkeer aan banden gelegd heeft. Tot september, normaalgezien, maar september werd “normaalgezien in de loop van oktober”.

De dag voor de beslissing officieel of op zijn minst officieus zou vallen, zagen we de kaart blinken in La Nación. Elke provincie zal overwegen om opnieuw binnenlands vliegverkeer toe te laten. Elke, behalve de onze.

We zijn intussen drie weken verder. Elke week kregen we het bericht dat het de week erop misschien toch van dat zou zijn. En de week daarop. En de week daarop. En de week daarop.

Vandaag is er een vliegtuig opgestegen in onze provincie, in de havenstad Rio Gallegos, die op zes uur rijden ligt. Zelf hebben we tickets om terug te keren van de meest dichtbijzijnde luchthaven, op maximaal drie uur rijden hiervandaan. Alleen zijn we niet zeker of we effectief toestemming zullen krijgen om te vliegen. Nog steeds niet.

En we wachten. En we wachten.